Stadscultuur Michael van der Vlis
 

Jane Jacobs, de Amerikaanse journaliste die voor begrip van het fenomeen 'stad' meer heeft betekent dan handenvol professoren, heeft, aan de hand van opgravingen in Klein-Azië, proberen aan te tonen dat de stad er eerder was dan het platteland. Ik vond het overtuigend, ik weet niet of ze historisch gelijk heeft, maar de essentie van haar betoog staat: cultuur (en vernieuwing daarin) ontstaan op plekken waar mensen met verschillende achtergronden goederen en diensten uitwisselen en al doende ook ideeen, emoties, cultuur. Die plekken zijn kruispunten van routes, het primaire motief is economisch, de ontstaansreden is de behoefte aan een marktplaats, het bijprodukt is mooier dan die ontstaansreden: een samenleving die als bestaansvoorwaarde heeft dat mensen tolerant zijn tegenover mensen die 'anders' zijn. Dat noemen we 'stad'.

Amsterdam is, vanaf het moment dat het van vissersdorp in handelsplaats veranderde, zo'n plek. De vroede vaderen hadden al heel vroeg de tolerantie hoog in het vaandel. Niet omdat ze idealistisch waren, maar omdat intolerantie slecht was voor de handel. Voor linkse mensen is dat een doordenkertje: mooie waarden worden echt duurzaam in een samenleving verankerd als ze goed sporen met de economische belangen van die samenleving. Wie voor een tolerant Amsterdam is hoort dus ook voor een Amsterdam te zijn dat een internationaal knooppunt is van handel, financiën, dienstverlening, enz. Heel kort door de bocht: wie voor een tolerant Amsterdam is hoort voor de groei en bloei van Schiphol te zijn. En: ik vind het niet toevallig dat milieufreaks en gezondheidsgoeroe's zo vaak een weerzin mbt 'het economische' combineren met een intolerante levenshouding.

Vanaf het moment dat Amsterdam echt een stad was, midden 16e eeuw, is het een komen en gaan van 'nieuwelingen': antwerpse protestanten, spaanse brabanders, portugese joden, franse hugenoten, tsjechische hussieten, poolse joden, italiaanse schoorsteenvegers, belgen op de vlucht voor de eerste wereldoorlog, duitse joden, indische nederlanders en chinezen, marokkaanse en turkse gastarbeiders, surinamers die niet op Pengel vertrouwden, asielzoekers uit de huidige brandhaarden van de wereld. Zij allen kwamen naar onze stad, bouwden hier een nieuw bestaan op, werden Amsterdammer en bleven hier of zwierven weer uit naar de omgeving om ook de rest van Nederland multicultureler en dus Nederlandser (multiculturaliteit is voor mij één van de centrale waarden van de Nederlandse cultuur) te maken.

We kunnen het trouwens ook dichter bij huis, binnenslands, benoemen: jongeren die naar de stad komen om, onder het mom van studie, los van thuis, hun weg in de wereld te zoeken; homosexuelen die, los van dorpstoezicht, zich op eigen wijze willen ontplooien, aankomende kunstenaars die zich het vak eigen willen maken en van goeroe's en lotgenoten willen leren; beginnende ondernemers die steun zoeken van hulpbronnen en inzicht in de markt. Zij allen volgen hetzelfde patroon als al die uit het buitenland komenden: aankomen in de stad, accomoderen, kennis, kunde en contacten opbouwen, daar wat moois van maken en dan in die stad verder bouwen of weer uitvliegen. Naast de succesvollen zijn er natuurlijk ook de mislukkers en (de meesten) zij die met een kleinere rol genoegen moeten nemen. Voor sommigen van hen is de stad dan een plek waar je uitfluiters kunt vermijden en een subultuur kunt vinden waar je thuis kunt zijn.

Bij gesprekken over 'de toekomst van de stad' hijs ik altijd de gevarenvlag als ik termen hoor als 'evenwichtige bevolkingsopbouw', 'geen doorgangshuis', 'de middenklasse trekt weg'. Dat soort termen staan voor een stabiel 'dorps' maatschappijbeeld dat haaks staat op de dynamische aspecten van een succesvolle stedelijke samenleving:
+ Een stad heeft geen 'evenwichtige bevolkingsopbouw': er is een permanente instroom van jongeren die hier volwassen komen worden en scholing, contacten, ontplooiing op komen doen. Dus is er een 'onevenwichtig' groot aantal jongeren en alleenstaanden.
+ Gezinnetje-met-kinderen is best in de polder. Maar als het huwelijk stuk loopt of je bent uberhaupt niet voor het huwelijk voorbeschikt of je wilt/kunt geen kinderen krijgen is de stad de beste plek om toch prettig deel van (je eigen subcultuur van) de samenleving te zijn. Nog meer alleenstaanden en kinderloze paren dus.
+ De stad als 'doorgangshuis' staat voor: binnenkomen om je te ontplooien en weer uitvliegen als dat een beetje gelukt is. Dat accomoderen is één van de centrale functies van de stad.
+ Al decennia hoor ik de klacht dat de middenklasse wegtrekt en al decennia blijkt er steeds weer een middenklasse te zijn die weg kan trekken. Dat is helemaal niet zo gek want die middenklasse wordt hier steeds maar weer gemaakt: jongeren komen hier zonder geld en opleiding binnen, krijgen die opleiding, vinden een partner en een baan en vertrekken weer als middenklasse. Mooi toch?

Met een stad waarin de bevolkingssamenstelling 'onevenwichtig is', 'de middenklasse vertrekt', de wijken 'een doorgangshuis' zijn gaat het goed: die stad vervult zijn rol als plek van emancipatie en ontplooiing, als motor en uitdrager van economische en maatschappelijke vernieuwing, als bron van economie en cultuur voor zichzelf en zijn omgeving.