uit EEN KLEINE GESCHIEDENIS VAN AMSTERDAM Geert Mak
Amsterdam in Nederland
Voor een laatste indruk van (stedelijk) Nederland kan men, zoals altijd, het beste bij de buren op de koffie gaan. Buitenlanders zijn vaak meer in ons geïnteresseerd, dan wij in onszelf, degelijk en bescheiden als wij zijn. Die outsiders verbazen zich over van alles en nog wat, te veel om op te noemen. Maar bepaalde constateringen komen zo vaak terug dat ze wel waar moeten zijn.
Ons politieke debat is even flitsend als een spons. Onze compromiscultuur, ooit een bittere noodzaak om met z'n allen de volgende stormvloed te kunnen overleven, is nu zo verfijnd dat het begrip "haalbaarheid" zo langzamerhand ons hele denken bepaalt. Onze geldzucht is legendarisch- de correspondent van Le Monde was het opgevallen dat de voormalige premier Lubbers zelfs in een debat over de Golfoorlog sprak over een "investering voor de toekomst". Onze ruimtelijke planning en ordeningsdrift is fenomenaal. Onze tolerantie en ons aanpassingsvermogen maken het mogelijk om soepel om te gaan met elke nieuwe stijl die over de grens komt waaien. De voorlijkheid van deze streken, ook wel aangeduid als "gidsland-effect", "kosmopolitische trendiness" of "ekstercultuur"- wekt alom geestdrift en verbazing. Levi's komt zeker eens per jaar kijken wat de Amsterdamse vrouwen nu weer aanhebben, in platenzaken kun je allerlei LP"s en CD's kopen die (nog) nergens ter wereld te krijgen zijn en McDonald's probeert zijn vegetarische groentehamburger als eerste uit in de Lage Landen.
De zaken worden hier geregeld in een aangenaam soort anarchisme, een soepele ordening, een nuchtere chaos. De randstedelijke cultuur kent, anders gezegd, weinig conventies, en dat heeft volgens sommige buitenlandse auteurs alles te maken met het feit dat het een cultuur is die - afgezien van het intermezzo van de Duitese bezetting - nooit verscheurd was en onderdrukt, die nooit in de branding heeft gestaan, die het nooit werkelijk zwaar heeft gehad.
Hollanders hoeven niet zo nodig, Amsterdammers zeker niet
Amsterdam is eeuwenlang een relatief veilige stad geweest. Nederland lag in de periferie van de grote brandhaarden, en dat heeft geleid tot een heel opvallende eigenschap in de ogen van de buren: gekanker. Hollanders zijn niet bepaald trots op hun land, en Amsterdammers moet je al helemaal niet over hun stad horen. Het fiere nationalisme van andere landen is hier alleen nog zichtbaar in de voetbalstadions. Als Nederlanders daarbuiten nationalistisch zijn, dan is het defensief, ter bescherming van eigen erf en geborgenheid. Tenzij ze preken - want Hollanders en Amerikanen zijn de beste dominees ter wereld.
Dat alles heeft niets met de spreekwoordelijke Hollandse nuchterheid te maken. De Hollanders hoeven gewoon niet zo nodig, al eeuwen niet. Hun verworvenheden zijn vanzelfsprekend geworden - waarbij komt dat de wonderen van dit land grotendeels negatieve wonderen zijn. Hun grootste prestatie is misschien wel dat hier bepaalde dingen niet gebeuren: geen polderterrorisme, en zelfs het water is al jaren niet meer over dit land gespoeld. Hun aspiraties zijn daarom verder ook niet zo hoog. Want wat wil een Hollander meer dan, in de woorden van een bekende romanfiguur van Godfried Bomans, de oud-bewindsman Pieter Bas, "vrijheid,ouderdom,geld,eer,roem,een lieve vrouw, veel kinderen, gezondheid en een eigen tuintje met een schutting erom?
Ooit zag ik bij toeval onze vorstin bij het paleis op de Dam afscheid nemen van het toenmalige staatshoofd van India, met zijn 780 miljoen inwoners een van de grootste naties ter wereld. Het was een grijze, Amsterdamse regenochtend, er stond een erewacht te blazen, een handvol bejaarden en spijbelende kinderen keek toe en waar ieder normaal land voor dit soort gelegenheden een partij Jaguars, Cadillacs of verlengde Mercedessen uit de kast trekt bestond hier de stoet uit een tiental bescheiden-ogende Fords en een busje van een touringcar-verhuurbedrijf.
De gebouwde mythe
De mythe van Amsterdam is vooral de mythe van de geest. De mythe van de meeste andere grote Europese steden is vooral de mythe van de monumentaliteit. Veel steden profileren zich door techniek en architectuur, en door een wijze van bouwen, die de burger tot onderdaan maakt. Monumenten zijn de dragers bij uitstek van de mythe van de stad - of, beter gezegd, van de mythe die de stad van zichzelf wenst. "Een monument is bedoeld om angst of bewondering op te wekken: om de kijker te herinneren aan de ouderdom van de dynastie, de macht van het regime, de rijkdom van de gemeenschap, de waarheid van haar ideologie, of aan een militaire overwinning of een succesvole revolutie die een dergelijke rijkdom, macht of waarheid uitdroeg," schreef de Amerikaanse stadssocioloog en historicus Donald Olsen ooit. Ingetogenheid is daarbij uit den boze, voegde hij daaraan toe. "Als een monument in haar opzet wil slagen, moet het in staat zijn het individu uit zijn dagelijkse beslommeringen los te rukken- over de trein van half zes die hij moet halen, zijn rijbewijs dat hij moet laten verlengen, postzegels die hij moet kopen - en hem eraan herinneren dat het leven meer inhoudt dan zulke zorgen, en dat hij zich gelukkig mag prijzen inwoner te zijn van zo'n schitterende metropool, onderdaan van zo'n welwillend heerser, aanhanger van dat ene ware geloof".
Dat is het lied dat ieder monumentaal gebouw en iedere boulevard zingt, de taal die iedere negentiende-eeuwse villawijk spreekt. Regent Street, de Place de la Concorde, de Stalin-wolkenkrabbers in Moskou, ze maken duidelijk dat kunst en architectuur niet alleen over zichzelf gaan, maar ook over zaken buiten zichzelf: politiek, ideeën, moraal, emoties, geldzucht, handigheid, instituties, geschiedenis.
Zo ontstaan de moderne pendanten van de middeleeuwse steden die de chaos van de wereld niet meer te lijf gaan met muren en poorten, maar met een fantastische weefsel van constructies. Het zijn puur technische steden, die een helderheid suggereren in een chaotische wereld, en een leiderschap in een periode die schreeuwt om gezag- en ook Amsterdam kent in de periferie zijn eigen techno-burchten.
Doe dat hier maar niet
Maar toch is deze stad hierin een uitzondering. Sterker nog, Amsterdam is bijna het vleesgeworden anti-monument. Eenmaal heeft de stad al zijn macht en rijkdom in een gebouw willen uitdrukken, maar dat werd al na anderhalve eeuw verkwanseld aan het Haagse koningshuis. Voor het overige zijn de werkelijke monumentale gebouwen op de vingers van een hand te tellen, en zelfs achter het concept van de wereldberoemde grachtengordel hebben, zo weten we na het proefschrift van Ed Taverne, voornamelijk praktische motieven gelegen. De prestigieuze architectuur van de negentiende eeuw is grotendeels aan Amsterdam voorbijgegaan - afgezien van het Rijksmuseum en het Paleis voor Volksvlijt, dat in 1929 tot de grond toe afbrandde. De combinatie stadhuis-opera leverde een log en massief gebouw op, geboren uit zuinigheid en met de allure van een Ikea-stoel. De moderne prestigebouw van het bedrijfsleven staat, zonder enige stedebouwkundige visie, weggestopt aan de Zuid-Oostrand van de stad.
Op een of andere manier wil het niet met de monumentale projecten in deze stad. Of het nu gaat om een plan om de Olympische Spelen binnen te halen, of om de IJ-oevers in de vaart der volken op te stoten, of om de bouw van de Stopera, het antwoord van de stad is slechts spot en lacherigheid. De Amsterdamse monumentaliteit speelt zich niet op straat af, maar in de hoofden van haar bewoners.
Amsterdam is niet trots, de stad is zelfs op een trotse manier niet trots. Ook de rijkste Amsterdammers hebben zich in de loop der eeuwen met een zekere koppigheid vastgeklampt aan de uiterlijke soberheid van hun zeventiende-eeuwse vaderen. Er is zo een stad ontstaan waar ondanks vergaarde rijkdommen, de barok, de grandeur van het absolutisme en de grote doorbraken van de negentiende eeuw grotendeels aan voorbij zijn gegaan. Zelfs het trotse Amsterdam van de Gouden Eeuw was volgens de toenmalige Europese normen het tegendeel van een moderne stad: traditioneel, gericht op individuele burgers in plaats van op een machtige aristocratie. Onze rijkdom is altijd een stille, discrete geweest.
Er loopt een directe lijn van de achttiende-eeuwse weduwe Pels aan de Herengracht, die niet meer dan vijf bedienden had hoewel zij de rijkste Amsterdamse was, naar de Amsterdamse topmanager die zich onlangs in een weekblad afvroeg of het niet wat minder kon in de Business Class van de KLM : "Een broodje kaas en een glas melk zijn wat mij betreft meer dan voldoende".
Trots op bescheidenheid
Een verklaring voor deze bescheidenheid in stedelijke trots ligt voor een deel in het simpele feit dat Amsterdam als stadsstaat al zo verschrikkelijk lang bestaat, en de rustige zelfverzekerdheid die deze middelgrote Europese stad daaraan ontleent moet niet onderschat worden. Deze stad heeft, anders gezegd, allang geen praalgraven, paleizen, standbeelden en prestigieuze avenues meer nodig. Het Amsterdamse burgerschap is een burgerschap zonder kapsones, en dat is ook de mythe waar de Amsterdammers zelf in geloven. Er heeft hier nooit een hofhouding geheerst die als referentiepunt diende voor de gezeten burgerij, en evenmin heerste hier een absolute vorst die grote doorbraken van de oude structuur kon afdwingen, en de macht en de middelen had tot werkelijk monumentaal bouwen. Daarbij kwam dat ook de rijkste Amsterdamse kooplieden doordrongen waren van het besef dat geld in de eerste plaats diende als bedrijfs - en familiekapitaal, de basis waarop ook volgende generaties moesten kunnen voortbouwen. Voor de landadel in het buitenland speelde dat een veel minder essentiële rol, omdat zij altijd hun grondbezit achter de hand hadden. Zo ontstond een cultuur waarin eer minder telde dan materie, en geld meestal zwaarder woog dan fatsoen, moraal, afkomst of prestige - met alle voor-en nadelen van dien.
Het niet-trotse van de hedendaags Amsterdammers gaat echter verder. Het is niet alleen een eigenschap, het is ook een sociale norm. In deze stad heerst, net als in de rest van het land, een onuitgesproken verbod op fierheid, en altijd staat de maaimachine klaar voor wie zijn kop te ver boven de heg steekt. Er hangt hier, schreef de correspondent van het Franse Liberation ooit "een soort onzichtbare, over het land gespannen lijn, waarboven geen hoofd kan uitsteken zonder het risico te lopen te worden afgehakt."
Natuurlijk gevoel van burgerschap
Meestal wordt daarbij gewezen op de oude republikeinse traditie van de stad - al in 1581 kon deze uithoek van Europa het zich permitteren om haar vorst en landsheer af te zweren-, maar eerlijk gezegd denk ik dat er meer aan de hand is geweest. We moeten niet vergeten dat in grote gedeelten van dit land eeuwenlang de geschiedenis voornamelijk bepaald is door rampen en bijna-rampen. Het is een cliché, maar daarom niet minder waar: in dit land is, in een gigantische, eeuwenlange collectieve actie, verschrikkelijk geploeterd om de boel letterlijk boven water te houden, en als het misliep ging iedereen gezamelijk ten onder. Dat alles heeft de Hollanders, en zeker ook de Amsterdammers, een soort natuurlijk gevoel van burgerschap gegeven: het land was letterlijk van hen. Maar te gelijk ontstond daardoor ook een merkwaardige stolling van machtsverhoudingen, een consensus- en compromiscultuur die zelfs de scherpste politieke tegenstellingen en de hevigste generatieconflicten verzachtte en afdekte. Zo nu en dan in de geschiedenis brak de menigte door de hekken, en werd de rust doorbroken door een dag van ongekende amok en hysterie. Maar daarna herstelde zich de geestelijke orde opnieuw, en kalm en met mate zette zich het leven voort.
De pont van kwart voor zeven
In de winter van 1981 lieten de journalisten Elma Verhey en Gerard van Westerloo een echolood neer in de Amsterdamse samenleving. Ze interviewden alle mannen en vrouwen die op een bepaalde ochtend met hun fietsen en bromfietsen in de kille ochtendnevel van het IJ stonden, op een vroege Amsterdamse pont. Het was nog zo'n oude, grote pont uit de jaren dertig, de Tolhuispont nummer 16, de pont van kwart voor zeven. Hun onderzoek werd gepubliceerd in een bijlage van het weekblad Vrij Nederland. Het was niet moeilijk de vaste pontvaarders te vinden: vrijwel alle mannen en vrouwen die om deze tijd op de pont stonden, stonden áltijd om deze tijd op de pont, de meesten al zo'n jaar of tien, vijftien. Een aantal deed dat al vanaf de oorlog, eentje was zelfs begonnen in 1936.
Degenen die in die bijlage over hun leven vertelden waren niet de mensen die de stad bestuurden en ook niet degenen waarover de kranten volstonden, maar het waren wel degenen die de stad draaiende hielden. De wederopbouw en de loonstijgingen van de jaren zestig hadden hen een redelijke welvaart gebracht ."Je hoort me niet klagen,"zeiden ze. Of: "Ik kan er goed van komen." Of: "Mooi dat we elke dag vlees op ons bord hebben". Maar terwijl ze hun eigen leven volgens vaste lijnen hadden ingericht had hen steeds meer het gevoel bekropen dat de wereld zijn vaste orde verloor. Ze hoefden dat niet in de krant te lezen, ze merkten dat aan den lijve. Ze zagen hoe de verzorgingsstaat hun buren "die alleen maar rondhangen" inpakten, terwijl ze zelf geen andere woning konden krijgen. Ze voelden zich niet meer thuis in hun oude buurten, vol nieuwkomers. Ze werden geconfronteerd met drugs en criminaliteit- eentje was zelfs dank zij een verslaafde buurman zijn woning "uitgefikt".
"Dat gevoel van huppetee, schouders eronder, opbouwen, dat is weg", zei de instrumentenmaker F.Moes, 53 jaar. "Vroeger wist je het, en nu vraag je je af, waar doe ik het voor. Je voelt je in je hemd gezet". M. Lof, 64 jaar, kantoorbediende bij de Melkunie: "Mijn vader was sjouwerman. Elke ochtend aan de Hemweg kijken of er wel werk was. God, dan is er toch wel iets verbeterd. Daar moeten we heel zuinig op zijn". G. Kuyper, 43 jaar, staalboekbinder:"Het houvast dat je had ben je kwijt. Het is alsof we in een grote put zwemmen". J. de Visser, 63 , timmerman, "Voor mij zou het leven zonder vakantie zinloos zijn". J. Waterlander, 23 jaar, computeranalist " Volgens mij heb ik alles in het leven wel. Een nieuwe casetterecorder wil ik nog wel. En een nieuwe auto. Lullig voor al die mensen die het slecht hebben, maar ik denk, als het met mij maar goed gaat." A. Kaya, 21 jaar, expeditiemedewerker, "Ik wil mijn toekomst in Nederland onder de verzekering brengen". Mevrouw Aantjes , 61 jaar, PTT-beambte, "We zijn maar een heel klein schakeltje. Als ze een keer blazen, dan ben je weg".
De meeste pontvaarders woonden in moderne armoeflats, waar het in de hal naar unrine stonk, waar de glazen gebroken waren en waar de lift op half zeven hing. Maar hun eigen woning bleken ze achter de voordeur te hebben omgebouwd tot mini-paleisjes, vol schrootjeswanden en ander timmer- en kuntselwerk, kleine, veilige holen waar de buitenwereld geen vat op had.
Zo voer de stad de eenentwintstigste eeuw binnen, van het galgeveld, door het waterlandschap, naar de kerktorens en de markten, uiterlijk welvarend, innerlijk onzeker en in verwarring. De meeuwen krijsten, een rijnaak gleed voorbij, een scheepshoorn loeide, het water klotste zoals het altijd deed, onbewogen en dof, zonder ooit te spreken van rust en slaap.